Het Gasthuis te Rhenen in de tweede helft van de zestiende eeuw – H.P. Deys

Hoewel de stichting Gasthuis in Rhenen omstreeks 1385 werd ingesteld, en daarmee de oudste nog functionerende instelling in Rhenen is, zijn pas sinds de tweede helft van de jaren 1500 archivalia beschikbaar om een wat duidelijker beeld over de functie van het Gasthuis te kunnen reconstrueren. Verslagleggingen in de vorm van notulen hebben nooit plaatsgevonden. Er werd doorgaans volstaan met de vermeldingen van besluiten in de rekeningen zelf, waarbij men vaak naast de te verantwoorden uitgaven, óók nog enkele details specificeerde. Het zijn in hoofdzaak de jaarlijkse gasthuisrekeningen die ons informatie verschaffen over doen en laten van deze belangrijke instelling. Hoewel er vele rekeningen ontbreken, blijft voldoende informatie over om een redelijk getrouw beeld uit de hier beschreven periode weer te geven. Ook de stadsnotulen geven soms aanvullende informatie en er zijn nog enkele charters en soortgelijke documenten bewaard gebleven waaruit wat aanvullende gegevens zijn te verkrijgen.
Direct onder de Kerk (gereformeerde, later hervormde kerk) viel de diaconie, waar rekeningen vanaf 1639 bewaard zijn gebleven. Notulen zijn vanaf 1891 (incompleet) beschikbaar en nog enkele losse stukken van oudere datum. In 1888 werd opgericht de Stichting Protestantsch Bestedelingenhuis. Hiervan bestaan slechts enkele archiefstukken.

Stichtingsacte

De stichtingsacte van het Rhenens gasthuis is niet bewaard gebleven, maar aangenomen kan worden dat de stichting rond 1380 heeft plaatsgevonden. De stichtingsacte van het gasthuis te Wijk bij Duurstede is wel bewaard gebleven, en draagt de datum 14 februari 1400 en is dus van jongere datum. In deze acte wordt vermeld dat men bij het opstellen naar andere actes als voorbeeld heeft gekeken, en de inhoud heeft een aantal formuleringen, die we in uitgewerkte vorm in de gasthuisrekeningen van Rhenen tegenkomen. Daar de stichter van het Wijkse gasthuis de Heer van Abcoude en Duurstede, ook elders maar zeker in Rhenen bemoeienis heeft gehad, zou voorzichtig gesteld kunnen worden dat de acte van Rhenen een van de voorbeelden voor Wijk zou kunnen zijn geweest. We herkennen dan ook in de Rhenense rekeningen enkele feitelijkheden die daar op wijzen. Er is wel enig verschil te constateren, bijvoorbeeld bij de invloed van schepenen op het bestuur van de gasthuismeesters, maar er zitten twee eeuwen tussen de stichting van Rhenen en de eerste bewaard gebleven rekeningen. Het was niet ongebruikelijk om naar belangrijke actes van andere steden te kijken: de Stadsbrief de omschrijving van de stadsrechten van Rhenen uit ca. 1250 is in 1400 gereconstrueerd met als duidelijk voorbeeld die van Wijk bij Duurstede.

Gasthuis

Het Gasthuis was een zelfstandige en onafhankelijke stichting, ze werd bestuurd door een tweetal, door de stadsregering aan het gewest voorgedragen gasthuismeesters. De uiteindelijke benoeming geschiedde in de hier beschreven periode door de landsheer of diens stadhouder, in 1571 was dit ‘A. Duc dAlva’, in 1591 voor het eerst ‘Zijn Ecl. de stadhouder en de Heeren Staten van stad, steden en landen van Utrecht. De gasthuismeesters waren in de meeste gevallen oud-kerkmeesters, schepenen of oud-burgemeesters of andere notabelen. Zij werden in principe voor twee jaar benoemd. De belangrijkste functionaris was de camereraar-gasthuismeester, die verantwoordelijk was voor de financiële administratie, gesecondeerd door de vennoot-gasthuismeester. Zij stelden aan het hoofd van het gasthuis de ‘weerd’ of ‘weert’ aan, waarmee duidelijk de oorspronkelijke gasthuis-funcftie is gekarakteriseerd. Het jaarloon bedroeg 4 Pond (=4 Gulden). Enkele namen van hen zijn bekend: in 1547 Luytger, 1571 Henrick Guertse (Goortsz), Aelbert Duijm (1578), Anna die vrouwe int Gasthuijs (1610). Belangrijk is de vermelding van de voorwaarden, die het stadsbestuur stelde aan Jan Henricxs Craijenvanger, die met zijn huijsvrouw op 10 maart 1586 als weerd werd aangenomen om ‘te bedienen, die siecken te ontfangen ende hair gerieff te doen en scarbier te brauwen nae ouder gewoenten ende alle tgeene dat tot het voorsz. gasthuijs es toebehoirende te bewaeren ende goede sorgh daer naer te dragen, die magistraet ende gasthuijs meesters te obedieren ende voirts alles te doen dat een goet gasthuijs vaeder ende moeder sculdich zijn te doen’. Overigens werd bij dezelfde gelegenheid gelast dat Meth Michels en Peet van Batenborch terstond uit het gasthuis dienden te vertrekken. Wie dit waren en waarom zij moesten vertrekken is niet bekend, maar denkbaar is dat dit de vorige weerd en zijn vrouw waren. In de stadsnotulen van 1567 staat het volgende besluit: ‘is veraccordeert en geconsenteert dat die Kercke binnen Renen insgelyx tGasthuijs elcx bijstand opbrengen sullen elcx hondert Philips gulden ende Ste. Kuneren gilde vijjftich gulden omme daermede te copen …rogge ten behoeve vande odersaten ende scamel luijden’. Een andere keer wordt door de Raad bepaald dat de gasthuismeesters een vicarie die ‘vaceerde’ moesten innen. Voorts werd de gasthuismeester door het stadsbestuur bevolen iemand aan schoenen te helpen. Duidelijk is hierbij, dat het stadsbestuur zich bemoeide met de organisatie van het gasthuis, terwijl dit feitelijk tot de competentie van de gasthuismeesters behoorde, maar vaak komen we dit niet tegen. Er was in die jaren sprake van schaarste in graan, vermoedelijk als gevolg van misoogsten. ‘Is vervolgens gecommitteert Willem van Harn omme aan de stadt Utrecht te vragen of aldaer noch een seker qualiteijt koorn verkrijgbaar zou zijn om ten behoeve van Renen aan te schaffen’. Tevens is het verbod uitgevaardigd om graan uit de Stad of de Vrijheid weg te voeren.
Vermoedelijk behoorde het brouwen van scer- of scharbier, een lichte kwaliteit bier (dunbier) gebrouwen uit rogge, tot de taken van de ‘gasthuijs frouwe’, de echtgenote van de weerd. Hierbij werd specifiek heide gebruikt: ‘Jan Stip betaelt van dat hij een voeder heijbossen[i] gemaeijt ende gebonden heeft om onder die scharbiers ketell te stoecken xv schellingen’ en ‘Jan Meeresz. voor dat hij dselve heij vant Bosch int gasthuijs gebrocht heeft x schellingen’(anno 1600), ‘voor het vuur onder de scerbier ton’. Er stonden in het gasthuis een watertonne en een ‘scerbiers tonne’. Ècht bier werd betrokken van de plaatselijke bierbrouwerijen, de bekendste heeft gedurende enkele eeuwen gestaan op de zuidelijke hoek van de tegenwoordige Zuidwal met de Rijnstraat.
Het is onduidelijk wat precies onder het gasthuis als locatie, gebouw werd verstaan. Aan de Gasthuisstraat stonden enkele panden en daarnaast de Gasthuiskapel. Dat er daadwerkelijk in het gasthuis geslapen werd geeft de volgende post weer: ‘Voor 26 bossen rohstroij voir den weerdt int gasthuijs om inde bedsteden te leggen ende ouderen daer inne t slapen’. Maar ook het gegeven dat er opgaven zijn van overlijdensgevallen in het gasthuis wijst hier op, evenals ‘2 begraafsteden voor een Engelschen en dander voir een jongen die int gasthuijs gestorven zijn’. Van Iterson trachtte dit duidelijk te maken, maar helder wordt het niet. Dat het één gebouw was blijkt bijvoorbeeld uit de `bepaling uit 1588, dat het brandbare dak van het gasthuis vervangen moest worden door een ‘hard dak.’ In 1607 ‘Noch van een trap te maecken in t gasthuijs daer Jan Guertsz dochter in woont’ en ‘Aen de zoldertrap 25 middelnegelen verbesigt’. Ook is er aan de toenmalige Heerenstraat een weeshuis geweest, vermoedelijk op de hoek met de Muntstraat. Feiten die om nader onderzoek vragen.

In 1753 vond een fusie tussen de stichtingen het Gasthuis en het Weeshuis tot Stichting Gast- en Weeshuis plaats, waarbij de rekeningen onder één hoofd, namelijk van de gast- en weesmeester werden verantwoord.

 

Gasthuismeesters

Er werden tot ongeveer 1900 jaarlijks steeds twee gasthuismeesters aangesteld, een cameraar-gasthuismeester en een vennoot-gasthuismeester. De eerstgenoemde was verantwoordelijk voor de administratie en de jaarlijkse verantwoording: hij stelde de gasthuisrekening op. Op voordracht van het stadsbestuur werden jaarlijks aan de gewestelijke overheid als candidaten opgegeven: 1 schepen-burgemeester, 1 cameraar-burgemeester, 7 schepenen, 8 raden, 2 kerkmeesters, 2 gasthuismeesters en tot 1753 2 weesmeesters. Formeel geschiedde de benoeming tot ongeveer 1580 door ‘de Koninklijke Majesteit’, de koning van Spanje, maar in de prakrijk was dit in Brussel (later ’s-Gravenhage?) de stadhouder. Men werd voor twee jaar aangesteld, waarbij er in principe één functionaris per jaar aftredend was. De oudst bekende benoeming van ‘de wet’ is te vinden in de oudst bewaard gebleven Rhenense stadsnotulen van oktober 1557, de stadhouder of diens vertegenwoordiger was toen de hertog van Savoye, later zijn de benoemingen ondertekend door de Prins van Oranje.
De cameraar-gasthuismeester presenteerde zich aanvankelijk op de jaarrekeningen als ‘cameraer gasthuijsmeester van den grotten ende cleijnen gasthuijs binnen renen ende melatenhuijs buijten renen’, maar vanaf de rekening 1577/78 worden het kleine gasthuis en de melatenkapel in de presentatie niet meer vermeld. Eens per jaar kwamen uit Utrecht de president en de griffier van het Hof van Utrecht, de ‘Heeren auditeurs ’s Lands’, om de rekening van de stad, de kerk en het gasthuis ‘te horen’, dat wil zeggen te ‘controleren’. Er werden daarbij ruimschoots daggelden aan deze controleurs uitbetaald, en tevens vond het daaraan verbonden diner plaats, bijvoorbeeld in ‘de Sleutel’, hetgeen handen vol geld kostte: in 1547 bedroeg dit in totaal 445 Pond (=gulden). Ook de voerman die de president, de griffier, de klerk en de dienders weer naar Utrecht voerde werd niet vergeten. De secretaris van de stad verdiende 4 pond ‘voor de moeite en de diensten die hij verricht heeft bij ‘het horen van de gasthuisrekening’. De cameraar gasthuismeester kreeg voor het gedurende een jaar ontvangen en uitgeven van de gasthuisgoederen 12 Pond en ‘komt voor het concipieren van de jaarrekening ende tweemaell in het claer te schrijven’ 2 Pond en het ‘pampier’ werd afzonderlijk in rekening gebracht. We komen echter ook wel tegen dat de rekening op het stadhuis na voorafgaande klokluiding aan de schout, de burgemeester en het gerecht werd gepresenteerd. Ik ben ook tegengekomen dat de gasthuismeesters een rentmeester aanstelden, om fysiek de verschillende financiële afdrachten en pachtsommen te innen. Het reguliere jaargeld voor de gasthuismeester was in het begin van de 17e eeuw 100 gulden.
Behalve het gasthuis vielen onder het beheer van de gasthuismeesters de gasthuiskapel, het melatenhuis en de melatenkapel of melatenkerkje (onderaan bij het huidige Paardenveld), en bovendien de Sint Anthoniskapel boven op de Heimenberg (de Grebbeberg).

De gasthuiskapel

De gasthuiskapel heeft (tot aan ca. 1946) aan de Gasthuisstraat op de hoek met de Koningstraat gestaan, met hieromheen enkele huisjes tot het gasthuis behorende. Ik vermoed dat de benamingen gasthuiskapel en gasthuiskerk door elkaar gevoerd werden. In 1571 worden als belendingen na elkaar de gasthuiskapel, en het ‘gasthuijs coor’ vermeld. En Wouter Verwaij heeft in dat jaar ‘twee sittens int choir vande cappell te vermaecken’, en voor het aanbrengen van een plank ten behoeve van 2 zitplaatsen rekende hij 2 ½ schelling.
Hoewel het door sommige onderzoekers wordt betwijfeld, heeft dit kerkje wel degelijk een torentje gehad, zoals op de plattegrond van Jacob van Deventer (ca. 1568) is aangegeven. Er zijn namelijk twee posten bekend van het leveren van een reep touw ten behoeve van de klok in het kerkje: In 1547 werd Cornelis de Haen betaald omdat hij ‘de reep weder vastmaecte aende clock int gasthuijs op St. Sijmon’. In 1602 ontving Henrick Jaspersz. Lijndendraijer 5 schellingen ‘voor een lijnt gebesicht aen het clocksken in de gasthuijskerck, en in 1607 ‘Noch vaen het gasthuijs clock een lijndt. Toen was blijkbaar zelfs het torentje nog aanwezig en in gebruik. Dit torentje is vermoedelijk begin 17e eeuw afgebroken, zoals af te leiden is uit een plattegrond[ii] uit begin 17e eeuw. Het is nog onbekend waanneer de Gasthuiskerk buiten gebruik is gekomen. In elk geval kan geconstateerd worden dat deze in 1602 nog functioneerde. Het gasthuis te Wijk dat hierboven vermeld is, heeft als patroon de heilige Ewout. Van het Rhenense gasthuis kennen wij de patroonheilige niet, maar wel is bekend dat er in de Gasthuiskerk een vicarie (missenfundatie) was gevestigd op het altaar van de Heilige Geest. Mogelijk was het gasthuis zelf ook aan de Heilige Geest gewijd, zoals dit het geval is met vele andere gasthuizen in de Nederlanden. Bovendien geeft de vermelding van Heilige-Geestmeesters in de Stadsordonnantie voor Rhenen van Karel V (1546) ook een aanwijzing in die richting. Het is echter niet ondenkbaar, dat we in dit verband aan Sint Anthonis moeten denken.
In de gasthuiskapel zijn ook daadwerkelijk liturgische diensten gehouden. De commandeur kwam jaarlijks op ‘kermisdach’ om te prediken en de mis te zingen. Hij kreeg hiervoor een halfvet lam. De pastoor kwam ieder jaar met Kerstmis in de kapel om daar te zingen. Tijdens de Paasdagen werd er ouder gewoonte in de gasthuiskapel door de schoolmeester het Lof gezongen en met Kerstmis de Vespers. De diaken en de subdiaken zongen het Evangelie en de Epistels en ook de koster met de ‘choralen’ (koorknapen) werden voor hun ‘stacie’ (‘dienst’) uitbetaald.
Naast het eigenlijke gasthuis betonden er nog drie of vier ‘cameren’ of ‘den gasthuijs solder’ boven de vier Godts camerkens’ die voor 6 jaar verhuurd werden[iii]. In 1710 lag de wintervoorraad turf van dominee Otto van den Bergh opgeslagen in het gasthuiskerkje. Het moest verwijderd worden omdat deze turf het brandweer gereedschap in de weg stond[iv]). In 1779 wordt besloten om de Gasthuisstraat, zo verre dit het Gasthuis aanbelangt, naar behoren te repareren en de gasthuizen te doen opverven (Oudarchief Rhenen152 Inv. 38? 21-06-1779 p. 173).

Melatenhuis, melatenkapel

Rhenen heeft tot 1585 een ‘Melatenhuis’, leproserie of Lazarushuis gekend. Dit huis heeft gelegen aan de Utrechtseweg, ongeveer onderaan het tegenwoordige Paardenveld, bij de Kuilweg. Het melatenkerkhof en het melatenkerkje hebben recht ertegenover gelegen zoals ze zijn getekend door Jacob van Deventer (ca. 1560). Het is onbekend hoe oud de beide gebouwen zijn, maar er heeft een transportbrief bestaan uit 1470 waarin het Lasarhuijs vermeld werd.

Er zijn enkele reparaties aan verricht, zoals het vervangen van 23 ruiten. Er is in de rekeningen enkele keren sprake van een ijzeren kooi, die onderhouden moest worden. Wat hiermee bedoeld wordt is niet duidelijk. In 1572 heeft Sander Jansz het dak gedekt en dit werd door Jacob Lambertsz. van binnen gebonden. Dit ‘dak’ werd vanuit Achterberg aangevoerd, vermoedelijk gaat het hier om een dakbedekking van stro. In 1588 beveelt het stadsbestuur echter dat het brandbare dak van het gasthuis vervangen moet worden door een ‘hard dak’, dakpannen dus. Dit was echter een algemene maatregel, die voor de gehele stad gold.

In verband met de grote mate van besmettelijkheid leidden de melaatsen een geïsoleerd leven. In 1571 lezen we dat vreemde melaatsen zich niet tussen het ‘gemene’ volk mochten begeven, anders dan op donderdagen. Zij werden in de stad onder strenge voorwaarden getolereerd. Melaatsen mochten zich bij de huisdeuren van de burgers niet verder dan de goot of de stoep bevinden en bovendien was het niet toegestaan om te zitten op openbare banken en drinke en te ‘klappen’ daar, waar elders de gewone man dagelijks komt of zit. Melaatsen kregen een Lasarusbrief of vuijlbrief, waarin stond waar zij zich aan dienden te houden, zoals het dragen van een ‘vlieger’ (een speciale mantel), met op de borst een Lasarusclap (een klepper) en een witte band om de hoed of het hoofd. Men was zich dus zeer bewust van de besmettelijke aard van de melaatsheid. Het Melatenhuis had eigen bezittingen, waaronder de Lazaruscamp bij de Westmolen, indertijd geschonken door Lodewijck van Leefdael. Er is in de stukken ook sprake van een Melatencamp ‘buiten de Westpoort’, het is niet duidelijk of het hier om hetzelfde perceel gaat. De inkomsten ervan kwamen mede ten goede aan de melaten. Een post uit 1570 vemeldt: ‘soo werd die pacht van dien betaelt aen handen van de melaten’, dus rechtsreeks overhandigd. Vermoedelijk is deze stichting met het Gasthuis gefuseerd rond 1558, de vreselijke ziekte raakte om onbekende redenen ‘uitgeziekt’ en er was kennelijk geen emplooi meer om een melatenhuis te onderhouden. Het ziet er naar uit dat deze ziekte tegen het eind van de 16e eeuw uitgewoed was, want In 1573 werd het ‘lasarishuis’ gesloopt. Toch werd er nog in 1572 een ‘melaten jongen’ naar Wageningen vervoerd en rond 1600 was er nog sprake van melaatsen.
Op 19 december 1580 hebben Evert de metselaar, Steven Stoffelsz. en Michiell Lambertsz. de Guilicker met hun 2 jongens de leien van de ‘capelle te melaten’ verwijderd welke door Jan Willemse, voerman, met zijn wagen tot binnen in de gasthuiskerk zijn vervoerd. Merkwaardigerwijs vinden wij dezelfde en gelijkluidende post, met dezelfde personen ook in de kerkrekening van 1581/1582 opgevoerd. De kapel werd verder in januari 1581 zorgvuldig afgebroken: de deuren, ramen, bedsteden en al het houtwerk werd netjes verwijderd. Hier was kennelijk sprake van hergebruik. De nog aanwezige turf moest weggebracht worden naar het Gasthuiskerkje, onder beheer van de gasthuismeesters. Het heeft dus niets te maken met ‘de strijd regen Spanje’, zoals Van Iterson[v] oppert. Eerder valt te denken aan verwaarlozing van dit kerkje: de Hervorming had rigoureus allerlei gewoontes veranderd. De afbraak van het melatenhuis werd vermoedelijk uitgevoerd in een periode begin 17e eeuw, waarvan de rekeningen verloren zijn gegaan.

Sint Anthoniskapel

Op een proceskaartje uit 1553 staat bovenop de Heijmenberg (Grebbeberg) een kapelletje getekend, met de aanduiding S. Anto. Capel. Deze kapel is ook weergegeven op het grote schilderij ‘De inneming van Rhenen in 1499’. Het zijn de enige beelden die er van deze kapel bekend zijn, en over de kapel zelf was tot voor kort zeer weinig bekend. In de rekeningen van het Gasthuis wordt deze kapel enkele malen genoemd. In 1547 werd aan priester Beernt Rijcken (of zijn waarnemer) een vergoeding uitgekeerd omdat hij op St. Anthonisdag op de Heijmenberg ouder gewoonte in de kapel mede de mis gezongen en het sermoen uitgesproken heeft. Ook de koster heeft met twee koorknapen met de mis meegezongen. Gerrit Vonck heeft in 1547 de kapel schoongemaakt en het ‘gereedschap’ ‘tot der misse diemen daer gedragen heeft’ (de parafernalia?) naar de kapel gebracht. De eerstvolgende bewaard gebleven rekening, uit 1571, meldt de teloorgang van deze kapel. Omdat deze namelijk ‘geheel ondicht’ was en men er geen diensten meer in mocht celebreren, heeft de gasthuismeester Wouter van Suijlen op Sint Anthonisdag de diensten verplaatst ‘int gasthuijs kerck’ en de kapelaan van Rhenen hier de mis en de predicatie laten verrichten zoals men dat op de Heijmenberg placht te doen, waarbij de schoolmeester en koorknapen de mis hebben gezongen. Intussen nam het verval van de kapel toe en de leidekker heeft het luidklokje van de kapel naar het gasthuis moeten brengen. In 1571 werden ‘de St. Anthonis bielen vuijte kercke op Heijmenberch gehaalt ende tot Rhenen gebracht door verlof van de officiaal’. Jan Slot heeft toen ‘Sint Anthonis van Heijmenberch tot Rhenen in t gasthuis gebracht’. Hiermee wordt kennelijk het heiligenbeeld bedoeld. De altaarsteen werd in 1572 door Sander Jansz. van de Heijmenberg weggehaald, en elders met hulp van Jan Quint weer opgesteld, maar waar dit gebeurde wordt helaas niet vermeld. De leidekker kreeg 3 schellingen omdat hij ‘het clockgen van St. Tonis capell gehaelt heeft en int gasthuijs gebracht heeft’, onmiskenbare aanduidingen van het einde van de Sint Anthoniskapel. De kapel beschikte nog wel over eigen bezittingen, waarbij het gasthuis soms gemachtigd was de bijbehorende pacht te innen.
Vermeld kan nog worden dat er vroeger, aan de toenmalige Heerenstraat, tegenover de Doodstraat (Torenstraat) een herberg heef bestaan met de naam St. Anthonis. Later werd dit herberg De Bock.

Vrouwengasthuis

Er zijn vermoedelijk twee vrouwengasthuizen geweest. Eén ervan stond ten zuidoosten van de kerk, waar tot begin vorige eeuw de school[vi] heeft gestaan. Het is niet duidelijk wie verantwoordelijk voor deze gasthuizen was, maar deze vielen niet onder het beheer van de gasthuismeesters. Af en toe treffen we in de gasthuisrekeningen in dit verband een kostenpost aan, zoals die van de ‘8 voeder leems’ waarmee de ‘heijmelickheijt’ van het vrouwengasthuis gemetseld werd. Er werden hiervoor ook nog 2 doorgezaagde sparren als planken gebruikt. In 1573 zien we dat Jan de Leijdecker met zijn zoon en een opperknecht 7 dagen op het vrouwengasthuis ‘ofte kercken huijs’ gedekt heeft. Veel worden we er niet wijzer van. Andere namen waren ‘het Kleine Gasthuis’ en ‘de arme vrouwen in het Gasthuis bij de school’.

In een acte uit 1553 wordt ‘dat cleyn vrouwen gasthuys tot Renen’ genoemd, en in 1608 (reg. 105) staat ‘…. Die arme vrous personen woonende in het gasthuys bij de schooll’.

De ‘Preekstoel’ te Achterberg

De Preekstoel was één van de staties, waar de processie tijdens de Cuneraweek halt hield om naar een sermoen te luisteren. Deze statie bevond zich langs de Cuneraweg, ongeveer ter hoogte van het ’Klompenkerkje’. De preekstoel werd op 27, 28 en 29 maart 1580 door Michiel Lambertsz en zijn zwager afgebroken. De stenen en de ‘schoell’ werden schoongemaakt en gewit met behulp van zijn eigen kalk. Gezien het aantal van 6 mandagen arbeid, moet het een groot object geweest zijn. Wanneer we ons realiseren dat de Alteratie zich in Rhenen rond 1578/79 voltrokken heeft, is de afbraak van de preekstoel een logisch gevolg van het einde van de Cuneraprocessies. Oude Achterbergers kunnen echter nu nog de plaats, waar deze preekstoel gestaan heeft, nog aanwijzen.

Pest

De pest woedde inde 16e eeuw nog in Rhenen. Er werden diverse pestmissen gehouden, vele doodskisten werden op kosten van het gasthuis ‘om Godts wille’ ten behoeve van de overledenen geleverd. In 1571 werd door iemand na de pest het gasthuis geboend en gepoetst. Merri Nuertgens kreeg 4 gulden ‘van dat hij het gasthuis geschuemt ende schoen gemaeckt heeft als die pest daer in was gewest’. Hiervoor waren zelfs nieuwe bezems aangeschaft. In 1575 vermeldt een post dat doodkisten zijn betaald voor een schamele jongen, een schamele weduwe vrouw en een crancke vrou in het Pesthuis. Hoe de status van dit pesthuis was en waar het moet hebben gestaan wordt niet duidelijk uit de bestudeerde rekeningen. In 1601 is de moeder van Evert Dionys aan de pest gestorven en er is in 1603 een van de pestmeesters ‘sieck uit Vianen gecomen’. Nergens nog ben ik zo’n ambt tegengekomen. Tenslotte is er in 1604 is nog melding van een huijsvroue en kinderen die ziek zijn van de ‘pestilentie’.

 

Inkomsten van het Gasthuis

De inkomsten van het Gasthuis waren heel gevarieerd. Een belangrijk deel van de inkomsten bestond uit de inning van gelden, verbonden aan vastgoed: huisrenten, erfrenten, tijnsen, en veenrenten en dergelijke al lang bestaande afdrachten, vergelijkbaar met erfpachten. Zo was de Stad jaarlijks schuldig 6 Philipsguldens van 25 schellingen het stuk. Het gebeurde ook dat goederen, meestal levensmiddelen, in natura werden afgedragen maar ook ingekocht: rogge, boter, erwten, haring. Zo was Judith Lijsters Evert Jansz. weduwe uit haar goed in de Grebbe jaarlijks een vat haring schuldig aan de armen. Uit het goed Middelwijck van Dirck de Bruijn werd jaarlijks in ‘de vasten’ een vat haring gegeven. Een vat kostte 7 Pond en 15 schellingen. Rogge werd door de molenaar gemalen en het meel werd naar de bakker gebracht, die er ten behoeve van de armen brood van bakte. Soms werden pachtverplichtingen gekapitaliseerd en in baar geld voldaan. In 1547 komen wij 43 posten aan huisrente tegen, en toponiemen als de Tangh,de Harspe, de Meegdhegge, de Dickenberch, de Geeresteech, den Bantuijn, de Horstbrand, het goed Middelwijck en de Preekstoel te Achterberg en voorts grondbezit in de Marsch. Deze polder ten zuiden van de Rijn behoorde vanouds in de Jurisdictie van Rhenen, maar werd pas tegen 1805 aan Gelderland toegewezen.

In de gasthuisrekeningen werden aanvankelijk ook inkomsten verantwoord uit bezittingen die aan het Melatenhuis buiten Rhenen toebehoorden, eveneens goederen van de St. Anthoniskapel. Uit de Lazaruskamp bij de Westmolen en in gebruik bij Zweer Henricxs kwam jaarlijks een Pond vrij ten behoeve van het Melatenhuis, indertijd door Lodewijck van Leefdael hiervoor bestemd. Ook Bernt van Wijck had testamentair een fonds van 34 Pond vast laten leggen.

Uitgaven van het Gasthuis

Ik heb in deze paragraaf een vrij groot aantal uitgaven opgenomen om een goede indruk te krijgen over het brede scala aan giften en ‘bedelingen’ waarvoor de gasthuismeesters verantwoordelijk waren. Deze uitgaven waren zeer gevarieerd, en afhankelijk van epidemieën en oorlogsomstandigheden. Ten eerste waren daar de vaste uitkeringen aan enkele vicariaten: de Abdij van St. Pauls te Utrecht, de abdis van Elten (tot Randijck betaeld), de St. Nicolaasvicarie en aan Johan Ludolfsz. (possesseur van de St. Loeien of St. Elooi vicarie). Deze laatste twee kwamen voort uit de Marsch en er is soms sprake van een Sint Martens vicarie (2 dagwerken slijk). Voorts de ‘salarissen’ aan ambtsdragers, zoals de commandeur die een halfvet lam ontving voor zijn statie tijdens de Kerstmis-dag: het zingen van de mis en de prediking in de gasthuiskapel; de pastoor ‘vant gasthuijs kermis (=Kerstmis) te singhen inder cappelle’; de schoolmeester Marcelis ‘vant loeff te singhen inde Paesch heijlige daegen ende vande kermis ende vesper te singhen inde gasthuijscappelle ook te Kermis dach naer ouder gewoente’; de diaken en de subdiaken ‘vande evangelie ende epistelen te singhen’; ‘de coster ende choralen tsamen hebben met Kerstmis gezongen’. Een schatting werd voldaan aan de Koninklijke Majesteit (Philips II) van 5 Pond voor 20 morgen grond in de Marsch. De stadsbode kreeg jaarlijks een portie vis en de Heer Bernt Eijcken, priester ‘vanwege den pastoir ofte ijmand daeromme’ kreeg uitbetaald omdat hij op St. Anthonisdag op de Heijmenberg in de kapel de mis had gezongen. De cameraar-gasthuismeester kreeg 2 gulden voor het opstellen en ‘dubbeleeren’ van de jaarrekening. Testamentair had Bernt Freijs bepaald dat iedere zaterdag uit een door hem geschonken fonds van 34 Pond een uitkering aan de 15 armen (in 1600 xvij armen) zou worden uitgedeeld (de ‘saterdachse deilinge’). Daar komt het jaarloon van de weerd bij, en diverse vergoedingen bij het helpen van turf te dragen, het schoonmaken van het gasthuis en veel kleinigheden meer. Regelmatig weerkerende posten worden nog veroorzaakt door de noodzakelijke reparaties aan de gebouwen, zowel de ‘religieuze’ gebouwen als enkele boerderijen en woningen: lekkages, dakpannen, glasruiten, inventaris en zo voort. Een ‘balck die men gedeijlt heeft in des gasthuijs torffschuer soe den ouden balcken in stukken was’ kostte 2 gulden. Er vond ook nog onderhoud plaats aan de dijk en de Mommesluis (?) in de Marsch. Met Pasen werden in de gasthuiskapel kaarsen en fakkels aangestoken.
Tot slot moeten de vele giften ‘om Gods wille’ (gratis) genoemd worden en de doodskisten, hemden, schoenen, klompen, toffelen, aalmoezen en de traditionele uitgaven aan bijvoorbeeld de ton bier, de scarbier, het uitgedeelde brood, de haring en niet te vergeten het varken, alles voor ‘de armen’, soms ‘behoeftigen’ genoemd . Hiervan kreeg de weerd traditiegetrouw het slachtafval. Soms werd het varken niet in natura verstrekt, en in dergelijke gevallen werd ook het imaginaire slachtafval in geld aan de weerd uitgekeerd. Een enkele keer werd 6 gulden betaald ‘overmits geen heringh te becoomen’ was. Er werden door de linnenmeester drie paar slaaplakens voor het gast- en het melatenhuis gemaakt uit 40 el linnen laken, gekocht bij Mechtelt van Someren. Een enkele keer werd een zorgbehoeftige uitbesteed aan een particulier. Hierbij werden kost (montcost) en inwoning vergoed. Deze vorm van uitbesteden van zorg komt ook in de kerkrekeningen voor. Bij de rekening van 1576 hoort een lijst met uitbetaalde aalmoezen met 26 namen, meestal armen, maar ook aan iemand ‘die vande Geusen gevangen was’.
In 1582 is de cameraar-gasthuismeester 2 dagen naar Utrecht gereisd, om een bijbel (5 gulden), een tinnen bekken en een tinnen lampetkan voor de kerk aan te schaffen, tezamen 6 pond 16 schellingen[vii]. Daar kwamen nog voor vacatie, vracht en maaltijden 30 stuivers bij. Dirck de Bruijn en Jan de Keijser zijn met de veengenoten eens naar Utrecht gereisd om ‘die lymiten vande carte’ te noteren. Helaas is niet meer na te gaan om wat voor kaart het ging, maar het zal wel om de eigendomsgrenzen in de veengebieden gegaan zijn. In 1582 treffen we een betaling aan voor ‘een lichter tlossen int zammeroeis schip’. Ook is het uitgegraven veen wel eens een keer ‘doer tnatte weder opt veen blijven staen’. Soms wordt slijk (slijcx), natte turf verstrekt.
Doordat de koers van de Rijksdaalder was gezakt heeft de gasthuismeester van 13 daalders elk een schelling zien verdampen.
De weerd Henrick Goortsz. kreeg van ‘kercke wegen’ ‘om Godts wille’ vracht en teergeld met zijn vrouw naar Haarlem vergoed, om zich te laten ‘beschouwen’. In Haarlem kon men zich door een arts, een chirurgijn en een geestelijke laten onderzoeken of men aan lepra leed. Helaas worden we niet geïnformeerd over de uitslag van dit onderzoek. Enkele keren luidt een omschrijving ‘meijsterloon voor een gebroeken been’, vermoedelijk kosten van de ‘specialist (chirurgijn) of dergelijke. Jan Jacobsz. In Achterberg had bij een brand al zijn beesten en inboedel verloren. Hij kreeg van het Gasthuis 3 ½ gulden toegewezen.
In 1572 lezen we over 17 doodkisten die nodig waren voor ‘Welschen Duijtschen(?)’ die in het gasthuis gestorven waren. Regelmatig werd betaald voor doodskisten voor ‘schamele’ mensen. Ook voor armen die in de loods op het kerkhof gestorven waren. In 1586 werd een doodskist betaald voor ‘een schamele vrou die in de kloosterkerk gestorven was’, en voor ‘een schamele man een doodskist voor zijn huisvrou die in de gasthuijskapel gestorven was’. Was de kapel toen al buiten gebruik gesteld?
In 1580 werden banken in de gasthuiskerk geplaatst. ‘In het maecken ofte timmeren’ van de banken in de kerk werd aan de arbeiders, dus zagers, metselaars, timmerlieden en anderen bier gedronken. Hierbij heeft Vlerck Hermansz. kistenmaker 5 dagen mee geholpen. Wouter Verwaij heeft hier 38 dagen aan gewerkt, elke dag voor 12 schellingen. In 1578 lezen wij na werkzaamheden aan het gasthuis dat de gerechtsbode Evert Lijster verscheidene tijden de Achterbergers heeft ‘geboden’ met hun wagens het puin van het gasthuis buiten de poorten te voeren.
Er is sinds 1579 in de gasthuiskapel geen dienst meer gehouden. 1580 werd nog standaard de formulering neergeschreven dat de Commandeur binnen Renen gezongen had enzovoorts, doch met de opmerking ‘Ende soe daer geenen dienst gedaen is … ergo nihil’. Ook het halfvette lam voor de commandeur omdat hij ‘opten Kermis dach de misse’ placht te zingen ging niet door ‘daer geenen dienst gedaen es’. Zo staat ook in 1581 bij de staties van de commandeur, de koster, schoolmeester, diaken en subdiaken aangegeven gegeven dat ze geen dienst hadden gedaan. Het einde dus van de Roomse erediensten. De bestaande vicariaten werden nog steeds uitbetaald. In februari 1580 is het ‘gehemelsel’ boven de preekstoel gezet, waarbij er bier werd geschonken aan de helpers die hebben geholpen met het tillen en vastzetten ervan. Vermoedelijk is toen de predikant reeds in functie getreden. In de (Cunera)kerk zijn dat jaar banken geplaatst. Volgens de Kerkrekening van 1582 heeft Wouter Verwaij toen aan de zuidelijke deur in de kerk een portaal, een lezenaar op het orgel, een stoeltje waarop de zandloper staat gemaakt en een Noordse plank doorgezaagd waarvan een lange voetenplank werd gemaakt en nog een ‘clamer’ om zich op te begeven.

Opvallend zijn de bijzondere, ongebruikelijke uitgaven in het eind van de hier beschreven periode geweest. In 1600 vond de Slag bij Nieuwpoort plaats, waar bij vele soldaten, vaak met vrouw en kinderen, maar ook vele recente weduwen op terugtocht naar ‘huis’ zwierven of her en der ronddoolden: ‘Een passant die van Emden quam om na Wesel te rejsen met sijn wijff en kinderen’ 6 schellingen (1601). Ook het beleg van Oostende bracht een ellendige nasleep te weeg. In de rekeningen worden tientallen giften (van enkele stuivers) verantwoord aan soldaten, al of niet zwaar gewond, aan weduwvrouwen met of zonder kinderen, aan jonge ‘gezellen’, waarbij regelmatig de plaats Ostende wordt vermeld. Zo vinden we een post ‘twe soldaeten gegeven die haere armen affgeschoten waeren bij den viand’, en ‘Lambert den hoeijmaeker van huisvesting van een schamele soldatenvrou hebbende eenen quaede arm’, twe soldaeten gegeven die op stelten (houten benen of krukken) gingen, ‘twee soldaten vrauwen gegeven die haer mans gevangen waren’.

Bij het bestuderen van de gegevens van het Gasthuis zijn mij enkele feiten opgevallen. Ten eerste werkten de gasthuismeesters zelfstandig, bemoeienis door het stadsbestuur ben ik zelden tegengekomen. Verantwoording werd jaarlijks afgelegd, maar dit gebeurde samen met de Stad en de kerkmeesters aan de gewestelijk overheid.
Ik heb nergens enige zweem van discriminatie of onmin tussen katholieken en protestanten waargenomen. Nooit ben ik in de gasthuisrekeningen iets van verschil in godsdienst tegengekomen, terwijl zich juist in de hier beschreven periode de grote omwenteling in de geloofsbeleving heeft afgespeeld, de Hervorming. De ‘beeldenstorm’ in Rhenen is zeer rustig verlopen. Opmerkelijk is de soepelheid waarmee de ‘roomse’ koster van de Cunerakerk Wouter Henricxsz. Coster zich in het ‘protestantse’ milieu weet te handhaven. Willem Vastrick (katholiek) is in 1572 cameraar kerkmeester en in 1574-1575 burgemeester geweest. In 1588 zijn ze beiden gasthuismeester in ‘protestants’ Rhenen!
Een raadsel blijft het besluit dat de Stad op 1 april 1571 heeft genomen: ‘is veraccordeert dat men tgasthuijs weder openen sal voor den ermen naer ouder gewoente ter tijt toe anders verordonneert sal weesen’. De vraag is waarom de aanvankelijke sluiting heeft plaatsgevonden. Oudere stadsnotulen om dit na te gaan zijn er niet.
Duidelijk is dat het jaar 1580 een kantelpunt is geweest in de fase van de Hervorming: de oude liturgie en daarmee verband houdende instellingen werden verlaten. Het is uit de rekeningen niet op te maken hoe de voorzieningen en giften over de arme bevolking werden verdeeld. Waren dit alleen personen die fysiek in het gasthuis verbleven of gold dit ook alle ‘huisarmen’ die tot de burgerij behoorden? Merkbaar is de trend dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden van hulp aan zorgbehoevenden naar uitkeringen in geld en goederen.

In de loop van de 19e en zeker in latere jaren is het karakter en zijn de doelstellingen van de Stichting radicaal veranderd. Volgens de website van de stichting het Voormalig Gast- en Weeshuis: De bevordering van de maatschappelijke samenhang in de gemeente Rhenen door het steunen van en het geven van bijstand aan sociale, culturele of maatschappelijke doeleinden binnen het grondgebied van de gemeente Rhenen, waarbij onder doeleinden tevens worden begrepen instellingen die sociale, culturele of maatschappelijke doelstellingen nastreven, welke in het belang van bewoners van de gemeente Rhenen zijn of kunnen zijn en waarvan het resultaat van de activiteit(en) binnen de gemeente Rhenen ligt.(Statuten 2018).
Ook is de bestuursstructuur thans een geheel andere: Het bestuur van de stichting wordt gevormd door de leden van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rhenen. Het bestuur wordt ondersteund door een rentmeester. De rentmeester is ambtenaar van de gemeente Rhenen en gedetacheerd aan de stichting.

Literatuur

Combrink, J., ‘Rhenen – van vestingstad tot grebbestad’, Zaltbommel 1981. P109-114.
Deys, H.P., ‘Achter Berg en Rijn, van boeren, burgers en buitenlui in Achterberg’, Rhenen 1981. Hierbij de afbeeldingen nr. 3, 4, 478, 479, 489, 490, 491, 492 (=Bestedelingenhuis), 561.
Groningen, Catharina L. van, ‘De Utrechtse Heuvelrug – De Stichtse Lustwarande – Dorpen en landelijk gebied’, Zwolle 2000, vele pagina’s.
Iterson, W. van, ‘De Stad Rhenen’, Assen 1960, pp. 239-245.
Jesse, R., ‘Oude Inventaris der Bezittingen van het Gasthuis’, Rhenen 1915.
Jong, A.J. de, De Melaten- en de Sint Anthoniskapel te Rhenen, in: Oud Rhenen 7(1988)1, pp 9-10.
Oostveen-Bonnema, Jan en Anneke, Het gasthuis te Rhenen, in Westerheem 51(2002)nr3, aug. 2002 pp. 161-166.
Rombach, K.A., ‘Een en ander uit de geschiedenis van de Utrechtsche gast- en ziekenhuizen’, in: Jaarboekje van Oud-Utrecht 1944, pp. 73-91.
Strous, W.H., Het Gast- en Weeshuis te Rhenen, in: L. Bultje-van Dillen .a. (re.), ‘Geschiedenis van Rhenen’, Utrecht 2008, pp. 152-159.
Vlis, I. van der en T. Rinsema, ‘Weeshuizen in Nederland’, Zutphen 2002.

[i] Het was tot voor kort voor de club van Nederlandse bierkenners een raadsel, wat het verband is tussen scarbier en heide. Dank zij deze vondst is er bij de ‘bierologen’ een vraagstuk minder.

[ii] Afb. 7 in Deys 1981.

[iii] Vier woninkjes, bestemd voor bewoning door oude of invalide personen.

[iv] Oudarchief Rhenen, 152 Inv. 18, 8-12-1710.

[v] Van Iterson 1960, p. 244.

[vi] Kadastraal F 261.

[vii] Deze zelfde post in gelijkluidende omschrijving komt ook in de kerkrekening van 1581/1582 voor.